weebly reliable statistics
Uitspraak Tinka van Rooij - Moordzaken
Uitspraak Tinka van Rooij

Uit Moordzaken

Ga naar: navigatie, zoeken

Uitspraak RECHTBANK BREDA


Parketnummer: 4764-04

1 Partijen. Onderzoek van de zaak. In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman, mr. Tieman, advocaat te Utrecht.

2 De tenlastelegging. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het wetboek van strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat

1.

hij op of omstreeks 26 mei 2004 te Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk, althans in het arrondissement Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade[sla[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (telkens) met een hamer, althans een hard en/of zwaar voorwerp op en/of tegen het hoofd geslagen, althans meermalen, althans eenmaal (telkens) uitwendig mechanisch en/of (hevig) botsend geweld op het hoofd van die [slachtoffer] uitgeoefend en/of toegepast, (mede) tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; art 289 Wetboek van Strafrecht art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte] op of omstreeks 26 mei 2004 te Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk, althans in het arrondissement Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben die [medeverdachte] en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (telkens) met een hamer, althans een hard en/of zwaar voorwerp op en/of tegen het hoofd geslagen, althans meermalen, althans eenmaal (telkens) uitwendig mechanisch en/of (hevig) botsend geweld op het hoofd van die [slachtoffer] uitgeoefend en/of toegepast, (mede) tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 februari 2004 tot en met 27 mei 2004 te Oosterhout en/of Made, gemeente Drimmelen en/of Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk en/of elders in de gemeente Moerdijk en/of Hank, gemeente Werkendam en/of elders in de gemeente Werkendam en/of Lage Zwaluwe, gemeente Drimmelen en/of Tilburg, althans in het arrondissement Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest, door

- (telkens) besprekingen te houden en/of afspraken/plannen te maken met die [medeverdachte] en/of [medeverdachte] en/of [medeverdachte] over het om het leven brengen/vermoorden van die [slachtoffer] en/of - (telkens) samen met die [medeverdachte] en/of [medeverdachte] te gaan kijken naar plekken en/of plaatsen waar het lichaam/stoffelijk overschot en/of de auto van die [slachtoffer] gedumpt en/of gestald zou(den) kunnen worden en/of waar de boot van [medeverdachte] het beste kon worden aangemeerd in verband met het (vanaf de kant) op de boot leggen van het lichaam/stoffelijk overschot van die [slachtoffer] en/of - de ketting(en), waarmee het lichaam/stoffelijk overschot van die [slachtoffer] verzwaard was/zou worden, (een week) voorafgaand aan woensdagavond 26 mei 2004 in de schuur bij zijn, verdachtes, en/of [medeverdachte]' woning te bewaren en/of op te slaan en/of - (samen met die [medeverdachte]) mobiele telefoons te kopen in Tilburg met welke telefoons die [medeverdachte] en/of [medeverdachte] en/of hij, verdachte, op de avond van de moord contact(en) met elkaar konden onderhouden en/of - op woensdagavond 26 mei 2004 telefonisch contact te onderhouden met die [medeverdachte] en/of [medeverdachte] en/of [medeverdachte] en/of - (samen met die [medeverdachte]), een stroomstootwapen/stroomstokwapen te kopen en/of aan te schaffen en/of (samen met die [medeverdachte]) een hamer (als back up) neer te leggen in de schuur waar die [slachtoffer] om het leven zou worden gebracht en/of - woensdagavond 26 mei 2004 samen met [medeverdachte] te gaan (rond) rijden om [medeverdachte] de gelegenheid te bieden om die [slachtoffer] om het leven te brengen en/of - bij en/of in de buurt van de plek waar het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op de boot geladen zou worden (bij het "gemaal"), te (helpen) sjouwen/tillen/slepen met de ketting(en) en/of het stoffelijk overschot van [slachtoffer] en/of - bij het gemaal en/of op de dijk op de uitkijk te staan en/of - samen met die [medeverdachte] de auto van die [slachtoffer] weg te brengen en/of- samen met die [medeverdachte] (andere) persoonlijke spullen van die [slachtoffer] weg te gooien en/of te verbranden; art 289 Wetboek van Strafrecht art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 26 mei 2004 te Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk en/of elders in de gemeente Moerdijk en/of Werkendam en/of Lage Zwaluwe, gemeente Drimmelen, althans in het arrondissement Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen door met dat oogmerk het lichaam/stoffelijk overschot van [slachtoffer] in te pakken in zeil en/of (vervolgens) in een auto te vervoeren en/of (vervolgens) te verzwaren met (een) ketting(en) en/of (vervolgens) (in de Biesbosch) in het water te gooien/dumpen; art 151 Wetboek van Strafrecht

3 De geldigheid van de dagvaarding. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie. De raadsman heeft aangevoerd dat tijdens de verhoren van verdachte – en zijn medeverdachten – door de politie ontoelaatbare druk is uitgeoefend hetgeen in strijd is met de rechten van verdachte op een eerlijke procesvoering. Ter onderbouwing van zijn verweer heeft hij de volgende voorbeelden genoemd: - verdachte zou tijdens zijn laatste verhoor bij zijn pijnlijke arm zijn beetgepakt; - aan verdachte is tijdens zijn voorlaatste verhoor op 26 oktober 2004 voorgehouden dat het verhoor bij de rechter-commissaris door de verbalisanten zou worden afgenomen; - verdachte zou zijn voorgehouden dat zijn vriendin [medeverdachte] hem het huis uit zou zetten; - verdachtes terminaal zieke stiefmoeder is naar het politiebureau gebracht, tegen haar zouden verbalisanten hebben gezegd dat verdachte niet voor 2012 vrij zou komen; - verbalisanten zouden verdachte voorts hebben gezegd dat zijn raadsman niet zou deugen; - verdachte zou zich door de te grote druk van de politie niet op zijn zwijgrecht hebben kunnen beroepen en wenselijke antwoorden hebben moeten geven. De raadsman concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. - verdachte is in totaal 12 keer verhoord, op soms intensieve wijze, doch de ernst van de feiten rechtvaardigde dit zonder meer; - de door de raadsman naar voren gebrachte voorbeelden van ongeoorloofde druk zijn grotendeels door de desbetreffende verbalisanten in het proces-verbaal van 3 maart 2005 betwist. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van de door hen gegeven weergave van de gebeurtenissen te twijfelen; - uit de processen-verbaal van de verhoren van verdachte blijkt ook dat er regelmatig pauzes werden gehouden voor het nuttigen van eten en drank en het gebruiken van medicatie door verdachte, alsook dat verdachte meer dan eens in de gelegenheid werd gesteld tijdens de verhoren contact te hebben met zijn raadsman; - voorzover de raadsman stelt dat verdachte tijdens de verhoren zich niet op zijn zwijgrecht heeft kunnen beroepen en wenselijke antwoorden heeft meten geven wijst de rechtbank op het navolgende: - verdachte heeft, vanaf zijn aanhouding op 29 september 2004, verklaringen afgelegd. Niet blijkt dat hij zich tijdens zijn eerste verhoren op zijn zwijgrecht heeft (willen) beroepen. - verdachte heeft op 5 oktober 2004, als eerste van de vier verdachten in deze zaak, openheid van zaken gegeven. Deze verklaring van verdachte bevatte voor de politie nieuwe informatie. Van enige sturing of het geven van wenselijke antwoorden tijdens dit verhoor kan dan ook geen sprake zijn geweest. - tenslotte blijkt uit de processen-verbaal van de verhoren in de periode na 5 oktober 2005 dat verdachte zich toen wel meermalen – met succes - op zijn zwijgrecht heeft beroepen. - namens de andere verdachten is geen formeel verweer gevoerd op het punt van de toegepaste verhoormethoden.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van ongeoorloofde druk tijdens de politieverhoren of dat het optreden van verbalisanten onbehoorlijk was en dit een zodanige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert dat niet ontvankelijkheid dient te volgen, dan wel een andere sanctie zoals strafvermindering zou moeten worden getroffen, zoals door de raadsman is betoogd.

6 Schorsing der vervolging. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring. Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

primair

op 26 mei 2004 te Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] meermalen met een hamer op het hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

op 26 mei 2004 te Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk en elders in de gemeente Moerdijk en Werkendam en Lage Zwaluwe, gemeente Drimmelen, tezamen en in vereniging met anderen, het lijk van [slachtoffer] heeft weggevoerd en weggemaakt, met het oogmerk om het feit van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen door met dat oogmerk het lichaam/stoffelijk overschot van [slachtoffer] in te pakken in zeil en vervolgens in een auto te vervoeren envervolgens te verzwaren met kettingen envervolgensin de Biesbosch in het water te gooien/dumpen;

Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 Het bewijs. De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

8.1 De bewijsmiddelen.

8.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs. De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak nu de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] niet geloofwaardig zijn en daarmee de bodem onder de bewezenverklaring wegvalt. Voorts zou volgens het standpunt van de raadsman duidelijk zijn dat bij verdachte, gelet op zijn persoon, het vereiste opzet ontbreekt.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. De verklaringen van medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte] stemmen op essentiële punten overeen met elkaar alsook met de verklaring van verdachte van 5 oktober 2004. De rechtbank verwerpt dan ook het standpunt dat de verklaringen van [medeverdachte] zodanig onbetrouwbaar zijn dat zij niet tot bewijs kunnen bijdragen.

Met betrekking tot het opzet van verdachte blijkt uit het dossier het navolgende:

Verdachte heeft, zo blijkt uit de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte], de verklaring van [medeverdachte] alsook uit zijn eigen verklaringen, met name die van 5 oktober 2004, met [medeverdachte] en [medeverdachte], voorbereidingen getroffen voor de moord op [slachtoffer]. Een week tevoren zijn er kettingen, verzorgd door [medeverdachte], in de garage van verdachte gelegd. Er is een stroomstootwapen aangeschaft bij een kennis van verdachte. De avond voor de moord is verdachte met [medeverdachte] en [medeverdachte] een locatie gaan bekijken waar [medeverdachte] zijn boot kon aanmeren en waar het lichaam van [slachtoffer] in de boot kon worden gelegd. Ook hebben verdachte en zijn medeverdachten die avond op een kaart van de Biesbosch de locatie bekeken waar het lichaam zou worden gedumpt. Tevoren is door verdachte een klauwhamer klaargelegd in de garage van [medeverdachte]. Op de avond van de moord heeft [medeverdachte] drie mobiele telefoons verdeeld tussen hemzelf, verdachte en [medeverdachte], zodat zij die avond met elkaar contact konden onderhouden, hetgeen ook is geschied. Verdachte heeft [medeverdachte] die bewuste avond van zijn woning weggehouden, ten tijde van de komst van [medeverdachte] en [slachtoffer] bij diens garage, zoals tevoren met [medeverdachte] was afgesproken. Verdachte heeft na de moord op de uitkijk gestaan terwijl het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in de boot van [medeverdachte] lag. Later die avond heeft verdachte met [medeverdachte] de auto van [slachtoffer] gebracht bij [medeverdachte], teneinde deze te laten verdwijnen, eveneens volgens een tevoren gemaakte afspraak. Verdachte had de sleutel van de garage reeds in zijn bezit. Daags na de moord heeft verdachte hulp geboden bij het uitwissen van sporen.

Al deze handelingen kunnen niet anders worden gezien dan verricht in bewuste en nauwe samenwerking, gericht op het ombrengen van [slachtoffer] en uitwissen van de sporen daarvan. Dat, zoals de raadsman heeft betoogd, bij verdachte gelet op zijn persoon het opzet ontbreekt is volstrekt niet in overeenstemming met de conclusies uit de over verdachte uitgebrachte deskundigenrapportages.

9 De strafbaarheid van het bewezene. Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:

1

primair

Medeplegen van moord.

2.

Medeplegen van een lijk wegvoeren en wegmaken met het oogmerk om het feit van het overlijden te verhelen.

10 De strafbaarheid van verdachte. Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

11 De straffen en maatregelen. 11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf. Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte voor het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren.

Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan de moord op [slachtoffer] en het wegvoeren en wegmaken van haar lichaam. Al weken van tevoren werd er door de daders uitvoerig over gesproken. Tot in detail werden de plannen beraamd. Op 26 mei 2004 werd het plan uitgevoerd en werd [slachtoffer] meermalen met een hamer op haar hoofd geslagen, tengevolge waarvan zij overleed. Haar dode lichaam werd ingepakt in zeil, in een auto gelegd en vervoerd in de richting van het water in De Biesbosch. Op een afgesproken plek kwamen de daders bijeen. Één van de daders beschikte over een boot waarmee het lijk van [slachtoffer] werd vervoerd naar een diepe plaats in De Biesbosch. Verzwaard met kettingen werd het lijk daar in het water gegooid. Twee weken later werd het lichaam van [slachtoffer] gevonden.

De rechtbank acht de moord op [slachtoffer] een buitengewoon ernstig feit. Moord wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als het ernstigste commune misdrijf dat we kennen. Nog steeds is het de rechtbank niet geheel duidelijk waarom verdachte en zijn mededaders het plan hadden opgevat om [slachtoffer] te vermoorden. Vaststaat dat zij op een gruwelijke wijze om het leven is gebracht. Verdachte en zijn mededaders hebben geen enkel respect voor het leven van [slachtoffer] getoond en door de moord een onherstelbare inbreuk gemaakt op het recht op leven. Dieper ingrijpen in een mensenleven dan door dat leven te beëindigen is niet denkbaar. De rechtbank rekent het verdachte en zijn mededaders ook in ernstige mate aan dat zij het lichaam van [slachtoffer] hebben weggemaakt.

De gevolgen van dit handelen van verdachte en zijn mededaders zijn afschuwelijk. Voor de nabestaanden heeft de dood van het [slachtoffer] diepe gevoelens van verdriet en verslagenheid nagelaten. Haar vader, [(benadeelde partij)], gaf ter terechtzitting aan dat bij zijn echtgenote en hem de beelden van de feiten op het netvlies gegrift staan, dat zij er niet van slapen en er elke minuut van de dag aan denken. Voorts gaf hij aan dat het bijzonder zwaar was dat zij niet op een waardige manier afscheid van [slachtoffer] hebben kunnen nemen, omdat haar lichaam ernstig verminkt was. In de toelichting op de civiele vordering werd er aan toegevoegd dat verdachten zich na de moord huichelachtig hebben gedragen jegens de ouders van [slachtoffer].

Dat deze misdrijven niet alleen in de directe omgeving van het slachtoffer grote onrust en gevoelens van onveiligheid hebben veroorzaakt, maar ook de rechtsorde in ernstige mate hebben geschokt, blijkt wel uit de grote belangstelling die deze zaak in de media heeft gekregen.

Omtrent verdachte zijn rapporten opgemaakt door de psychiater A.J.W.M. Trompenaars en door de psycholoog J.C.P.M. de Veth. Beide gedragsdeskundigen concluderen dat verdachte niet lijdende is aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en dat de feiten hem volledig kunnen worden toegerekend. De rechtbank neemt deze conclusies over.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met:

- de ernst van de onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten, in het bijzonder de afschuwwekkende omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan; - het aandeel van verdachte in het beramen van de plannen en de uitvoering daarvan; - de wettelijke strafmaxima voor deze feiten en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd; - het uittreksel uit het justitieel documentatieregister waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest;

Alles afwegende zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van na te melden duur. 12 De overwegingen omtrent de vordering van de benadeelde partij. De benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van € 42.456,62, bestaande uit € 38.383,78, vermeerderd met de kosten van rechtsbijstand voor een bedrag van € 3.675,41 en de notariskosten voor een bedrag van € 406,43, terzake van hetgeen onder 1 primair en 2 is bewezen verklaard.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde rechtstreekse schade heeft geleden. Hier is de rechtbank echter gebonden aan de beperkingen die de wet aan het toekennen van schadevergoeding in een strafproces kent, te weten dat de claim eenvoudig van aard moet zijn. Dit is slechts met een deel van de vordering het geval. De rechtbank waardeert dit deel op een bedrag van € 7.672,40, bestaande uit een bedrag van € 6.537,40 zijnde de kosten van de crematie van [slachtoffer], een bedrag van € 135,= zijnde de schade die ontstond door het verlies van haar auto en een bedrag van € 1.000,= bij wijze van voorschot terzake van de op de vordering onder B vermelde schadeposten. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Dit bedrag zal zij toewijzen. Het overige gedeelte van deze vordering is niet van zo eenvoudige aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Over de gevorderde kosten van rechtsbijstand overweegt de rechtbank dat deze niet vallen onder het begrip ‘rechtstreekse schade’ als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering. Wel kunnen deze gerekend worden tot de proceskosten in de zin van artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Als in civiele procedures hanteert de rechtbank voor deze kosten het liquidatietarief en zal zij een bedrag van € 1.230,= toekennen als tegemoetkoming in de gemaakte proceskosten.

Er is in deze zaak sprake van meer dan een pleger van het strafbare feit. Ieder van de plegers is naar het civiele recht hoofdelijk aansprakelijk. De verdachte is derhalve niet tot vergoeding gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededaders is voldaan.

De rechtbank zal daarnaast aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van na te melden bedrag ten behoeve van het slachtoffer [(benadeelde partij)], nu verdachte jegens deze naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die aan deze door de strafbare feiten, genoemd onder 1 primair en 2 is toegebracht.

13 De toepasselijke wetsartikelen. De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 47, 57, 151, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

14 De beslissing. RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart de officier van justitie ontvankelijk in haar vordering.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9 vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF JAREN.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf.

Zij wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 7.672,40, te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging en de gebruikelijke kosten van invordering.

Zij verstaat dat verdachte niet tot vergoeding van voormeld bedrag en van de kosten is gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededaders is voldaan.

Zij bepaalt dat deze benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. (BP.23)

Zij verwijst de verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 1230,=.

Zij legt daarnaast aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van voornoemd slachtoffer [(benadeelde partij)], te betalen een som geld ten bedrage van € 7.672,40, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 153 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Zij verstaat dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan de verplichting opgelegd bij de hierboven genoemde schademaatregel, de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij van het overeenkomstige bedrag komt te vervallen. Indien en voor zover verdachte de toegekende schadevergoeding heeft betaald aan deze benadeelde partij, komt daarmee de schademaatregel voor het betaalde bedrag te vervallen.

Zij verstaat dat verdachte niet tot vergoeding van voormeld bedrag en van de kosten is gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededaders is voldaan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Cohen-Koningsveld, voorzitter, mr. Luijks en mr. De Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Paulus en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 april 2005.