weebly reliable statistics
Uitspraak Orson Daschveld - Moordzaken.com
Uitspraak Orson Daschveld

Uit Moordzaken.com

Ga naar: navigatie, zoeken

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710358-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 januari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [1985] thans gedetineerd te PI Noord-Holland Noord, HvB Zwaag

Raadsman mr. P.E. van Zon, advocaat te Den Bosch.

1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 januari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: samen met (een) ander(en), opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] heeft gedood door met een vuurwapen meermalen op het lichaam en het hoofd van het slachtoffer te schieten; Subsidiair: samen met (een) ander(en), opzettelijk [slachtoffer] heeft gedood door met een vuurwapen meermalen op het lichaam en het hoofd van het slachtoffer te schieten.

3 De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan moord op [slachtoffer]. De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte voornoemd feit in vereniging heeft gepleegd. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten omdat zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien geen direct bewijs is waaruit onomstotelijk blijkt dat verdachte [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. De verdediging heeft daartoe aangevoerd: - De verklaring van [broer verdachte] is onbetrouwbaar gelet op zijn psychische gesteldheid en dient daarom niet voor het bewijs te worden gebruikt. Subsidiair, voorzover de rechtbank deze verklaringen toch voldoende betrouwbaar zou achten, is (voorwaardelijk) verzocht om een psychologisch en/of psychiatrisch onderzoek naar deze getuige. - De verklaring van de getuige [getuige 1], ondermeer tegenover undercoveragenten van de Belgische politie, dient wegens onbetrouwbaarheid niet voor het bewijs te worden gebruikt. Ten aanzien van het de-auditu gedeelte van de verklaring van deze getuige heeft de verdediging zich subsidiair op het standpunt gesteld dat deze niet door ander bewijs wordt ondersteund. - Met betrekking tot de match van het DNA van verdachte met het DNA dat is aangetroffen op een huls in de auto van het slachtoffer, is naar voren gebracht dat het gehanteerde referentiebestand niet representatief is. Primair moet dit leiden tot bewijsuitsluiting, subsidiair is verzocht om nader onderzoek naar het referentiebestand. Voorts is aangevoerd dat op grond van het DNA bewijs in het dossier niet vast staat dat verdachte de huls heeft vastgehouden, gelet op de mogelijkheid van secondary transfer nu verdachte eerder in de auto van het slachtoffer kan hebben gezeten. Bovendien is er op de andere drie hulzen die zijn aangetroffen geen DNA materiaal van verdachte aangetroffen. - Verdachte had geen aannemelijk motief om het slachtoffer dood te schieten. - Uit de telefoongegevens blijkt dat het slachtoffer en verdachte minuten voordat de schoten door getuigen zijn gehoord elkaar moeten hebben ontmoet. Aangezien er meteen daarna meerdere personen ter plaatse zijn gezien, laat dit de mogelijkheid open dat een ander of anderen de schoten heeft/ hebben gelost. De verdediging heeft gelet op het voorgaande verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen Op 12 januari 2011 ligt getuige [getuige 2], wonende aan de [adres] te Utrecht, te schrijven in zijn bed. Hij hoort een salvo van eerst 3 à 4 knallen en na een paar seconden nog een knal. Hij kijkt vervolgens uit zijn raam, vanuit waar hij zicht heeft op de kruising van de Rapenburchdreef en de Theemsdreef, en hij ziet een auto stil staan met de passagiersdeur open. Hij ziet een man met een normaal postuur en een petje op vanaf de passagierskant van de auto met een ferme pas weglopen in de richting van de Einsteindreef, over de Rapenburchdreef. Ondertussen rijdt de auto heel langzaam vooruit en komt deze tot stilstand tegen een garagedeur. Getuige [getuige 2] gaat dan naar buiten en als de getuige bij de auto is, ziet hij een man in een ongewone positie op de bestuurdersstoel liggen. Getuige [getuige 2] belt het alarmnummer 112. Om 01.57 uur krijgt hij contact met de meldkamer van de alarmdienst en vraagt om zowel politie als ambulance.

De ter plaatse gekomen politie treft een zwarte Mercedes aan waarvan de deur van de passagierszijde open is. De verlichting van de auto brandt, de motor loopt en de radio staat aan. In de auto zit een persoon achter het stuur. De ambulancemedewerkers constateren dat levensreddende handelingen geen zin meer hebben. Het aangetroffen slachtoffer blijkt te zijn genaamd [slachtoffer], geboren te [geboorteplaats] op [1982], wonende op het adres [adres] te [woonplaats]. Op 13 januari 2011 vindt bij het Nederlands Forensisch Instituut een sectie plaats op het slachtoffer. Er worden vier kogels in het lichaam aangetroffen. De schotkanalen lopen allen van rechts naar links. Er blijken twee schotkanalen door het hoofd te lopen en twee schotkanalen door de borstkas. Hierbij wordt het intreden van de dood zonder meer verklaard door alle schotletsels zowel apart als gezamenlijk.

Er wordt een tijdreconstructie gemaakt met behulp van getuige [getuige 2]. Uit de uitgevoerde tijdreconstructie blijkt dat getuige [getuige 2] niet later dan 01.52.33 uur knallen heeft gehoord op 12 januari 2011.

Bij het slachtoffer wordt een telefoon aangetroffen in zijn linkerhand. Uit de telefoongegevens blijkt dat in deze telefoon een simkaart met het telefoonnummer 0644685437 zit. Uit onderzoek komt naar voren dat er op 12 januari 2011 tussen 00.37 uur en 01.49 uur diverse bel- en sms-contacten zijn geweest tussen 0644685437, zijnde het telefoonnummer van het slachtoffer en de gebruiker van het telefoonnummer 0644689528 (hierna *9528). Uit deze gegevens blijkt dat er tussen de gebruikers van de beide hiervoor genoemde telefoonnummers een afspraak wordt gemaakt bij “shi”. Om 1.46 uur laat het slachtoffer weten “ben er”. De gebruiker van het nummer *9528 reageert dan met de tekst “1 sec”. Vervolgens belt het slachtoffer om 1.48.04 uur en 1.49.37 uur nog naar het nummer *9528. Getuige [getuige 3] verklaart bij de politie dat het slachtoffer op 12 januari 2011 bij hem en [getuige 4] achter in de auto zat en dat het slachtoffer rond 01.25 uur à 01.30 uur een persoon met zijn mobiele telefoon aan de lijn had. [getuige 3] hoort het slachtoffer zeggen “ik ben bij het Zandpad kom hier naar toe”, de persoon aan de andere kant reageert en [getuige 3] hoort het slachtoffer zeggen “waar ben jij dan” en vervolgens “oke ik kom eraan”. Vervolgens wil het slachtoffer bij zijn auto worden afgezet. [getuige 3] doet dit tussen 01.30 uur en 01.40 uur en hij ziet het slachtoffer nog zijn auto op afstand ontgrendelen en het portier van zijn auto openen. Voorgaande verklaring wordt bevestigd door getuige [getuige 4]. Uit onderzoek naar de gebruiker van het nummer *9528 komt naar voren dat er met dit nummer regelmatig contacten zijn geweest met [zus verdachte] (zus van verdachte), [getuige 5] (broer van verdachte), [vader verdachte] (vader van verdachte), [moeder verdachte] (moeder van verdachte) en [broer verdachte] (broer van verdachte). Uit onderzoek blijkt dat in de telefoon van [zus verdachte], het nummer *9528 opgeslagen is onder de naam [voornaam verdachte] en dat de oom van verdachte, [broer verdachte], het nummer *9528 blijkt te hebben opgeslagen onder de naam “[voornaam verdachte]”. [A] en [B] bevestigen dat *9528 het telefoonnummer van verdachte is. [getuige 1] verklaart bij de politie dat hij op 11 januari 2011 door verdachte wordt gebeld en dat zij vervolgens samen naar de Albert Heijn gaan en dat verdachte daar een opwaardeerkaart koopt en vervolgens zijn beltegoed gelijk daarna opwaardeert op het moment dat zij terug lopen naar de auto. Uit onderzoek blijkt dat het beltegoed behorend bij telefoonnummer *9528 nog is opgewaardeerd op 11 januari 2011 en dat na die datum, ook de datum van de dood van het slachtoffer, er geen opwaarderingen voor dit nummer hebben plaatsgevonden . Het nummer is sindsdien niet meer in gebruik. Op dinsdag 18 januari 2011 wordt de woning van [moeder verdachte] aan de [adres] doorzocht. Bij deze doorzoeking wordt de verpakking van de simkaart van het telefoonnummer *9528 aangetroffen.

[moeder verdachte] verklaart bij de politie dat verdachte veelal in België en Spanje verblijft, maar dat verdachte op de avond van het schietincident in Nederland bij haar aan de [adres] te [woonplaats] verbleef. De volgende dag is verdachte vertrokken. Voorgaande verklaring wordt bevestigd door getuige [getuige 5] en [zus verdachte].

[getuige 6] verklaart bij de politie dat het slachtoffer op 24 of 25 december 2010 aan haar heeft verteld dat hij een conflict had met een Marokkaanse jongen. Deze jongen woont bij zijn moeder in Utrecht en heeft in ieder geval één broer. Het conflict ging over geld, maar niet over veel geld. Het zou gaan om een paar honderd euro. Het was een soort principekwestie geworden tussen het slachtoffer en die Marokkaanse jongen. Er is een aantal maal contact geweest tussen het slachtoffer en die Marokkaanse jongen. Er is op een gegeven moment wel een deel van het geld gebracht door een jongen. De Marokkaanse jongen zou op dat moment in België zitten omdat hij geen zin meer had in het conflict en waarschijnlijk het gehele geldbedrag niet kon betalen. Het slachtoffer vond dat die Marokkaanse jongen heel stoer deed en hij dacht dat dit zou komen omdat die Marokkaanse jongen ooit op iemand had geschoten. De Marokkaanse jongen vond dat het slachtoffer onder de indruk moest raken van hem of bang moest worden, maar dat deed het slachtoffer niet. Hij bleef vinden dat hij dit geld terug moest krijgen van die Marokkaanse jongen. In de nacht van 24 op 25 december 2010 heeft het slachtoffer contact gehad met de broer van de Marokkaanse jongen. [getuige 6] begreep dat die broer iets zei in de trant van dat verdachte fout zat en dat hij dit niet voor hem ging oplossen.

[getuige 7] verklaart bij de politie dat het slachtoffer aan hem heeft verteld dat [verdachte] uit [wijk] nog een schuld had bij hem. Het slachtoffer vertelde [getuige 7] dat [verdachte] spelletjes met hem speelde en hem aan het lijntje hield.

[getuige 8] verklaart bij de politie dat hij tussen Sinterklaas en Kerst 2010 bij een Marokkaanse jongen genaamd [voornaam verdachte] is langs geweest met het slachtoffer. De woning is op de eerste verdieping van een flat op de [adres] in Utrecht. Zij gingen hier langs omdat het slachtoffer nog geld kreeg van deze [voornaam verdachte]. [getuige 8] bleef in de auto en het slachtoffer ging naar de voordeur. Een vrouw deed open en het slachtoffer stapte een klein stukje naar binnen. Vervolgens ging het slachtoffer weer weg en deed de vrouw de deur dicht. Daarna kwam er een jongen naar buiten. Het slachtoffer praatte vervolgens voor de deur van het portiek met deze jongen.

[moeder verdachte] verklaart dat er een man (jongen) aan de deur stond die vroeg naar verdachte. De man vertelt haar dat hij nog 350 euro van verdachte krijgt. De jongen is vervolgens weggegaan en Chahid zou het aan verdachte doorgeven. De man zei dat hij verdachte 350 euro had geleend en dat hij dat terug wilde hebben. Dit wordt bevestigd door de verklaring van [zus verdachte].

[getuige 1] verklaart tegenover undercoveragenten dat [getuige 5] tegen hem gezegd heeft dat verdachte de avond voor de dood van het slachtoffer bij zijn thuiskomst van zijn moeder hoort dat het slachtoffer met drie andere Surinamers bij zijn moeder thuis was gekomen en zijn moeder had bedreigd vanwege een geldschuld. [getuige 1] verklaart dat verdachte vervolgens helemaal is geflipt. Verdachte heeft –aldus [getuige 1] zijn vuurwapen gepakt en is toen lopend van huis vertrokken en heeft het slachtoffer doodgeschoten. [getuige 1] verklaart verder dat [getuige 5] tegen hem heeft gezegd dat verdachte die nacht in paniek is thuisgekomen en dat hij heeft gezien dat verdachte het vuurwapen uit elkaar heeft gehaald en samen met munitie het gsm-toestel in zijn jas heeft gewikkeld en in een stortkoker van de flat heeft gegooid. Verdachte zou vervolgens een tijdje zijn ondergedoken om af te koelen.

Op 4 februari 2011 meldt verdachte zich met zijn raadsman mr. Van der Biezen op het politiebureau en hij wordt dan aangehouden.

Er worden door de forensische opsporing vier hulzen aangetroffen op de plaats delict, waarvan twee in de auto van het slachtoffer en twee buiten deze auto. Op één van de hulzen die in de auto wordt aangetroffen wordt een onvolledig DNA-profiel aangetroffen. De bemonstering van de huls heeft sinnummer AACYO0121NL toegewezen gekregen. Een referentiemonster van bloed, afkomstig van verdachte, is genummerd RAAN2454NL#01. Van het DNA in de bemonstering AACYO0121NL van de huls is een DNA-profiel verkregen van een man. Het DNA-profiel van verdachte RAAN2454NL#01 matcht met dit DNA-profiel. Dit betekent dat het celmateriaal in de bemonstering AACYO0121NL afkomstig kan zijn van verdachte. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering is volgens het rapport van prof. dr. P. de Knijff kleiner dan 1 op 200.000. Later stelt De Knijff zijn rapportage bij omdat er nu 6 loci zijn gebruikt waarop in totaal 10 kenmerken zijn gevonden. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering is volgens hem in zijn tweede rapport kleiner dan 1 op de 1 miljoen. Op verzoek van de verdediging vindt er een contra-expertise plaats en deze wordt uitgevoerd door dr. P.J. Herbergs. De berekende frequentie van het DNA-consensusprofiel is volgens dit rapport 1 op 1,2 miljoen. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan 1 op 1,2 miljoen.

4.3.2 De bewijsoverwegingen De rechtbank komt tot het oordeel dat verdachte de dodelijke schoten op het slachtoffer heeft gelost. De rechtbank baseert dat oordeel op het DNA-bewijs, de telefoongesprekken en sms-berichten tussen het nummer *9528 waarvan verdachte de gebruiker was en dat van het slachtoffer waaruit volgt dat zij kort voor de schietpartij een afspraak hadden gemaakt om elkaar te ontmoeten. De verklaringen van getuigen ondermeer over het conflict tussen verdachte en het slachtoffer en het feit dat de moeder van het slachtoffer naar aanleiding daarvan personen aan de deur kreeg, moeten voor verdachte een motief hebben gevormd. Gelet op de onder 4.3.1 opgenomen bewijsmiddelen in samenhang bezien en mede in aanmerking genomen dat verdachte heeft nagelaten een verklaring te geven over de telefooncontacten om het slachtoffer te ontmoeten vlak voorafgaande aan het schietincident, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte de persoon is geweest die het slachtoffer om het leven heeft gebracht.

Beroep op zwijgrecht Verdachte heeft tot en met de terechtzitting van 16 januari 2012 nimmer een verklaring ten aanzien van de ten laste gelegde feiten afgelegd, hij heeft enkel verklaard dat hij het slachtoffer niet om het leven heeft gebracht en voorts een beroep op zijn zwijgrecht gedaan indien het zaaksgerichte vragen betroffen. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het zwijgen van zijn cliënt niet als bewijs tegen hem kan worden gebezigd. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. De omstandigheid dat een verdachte weigert om vragen te beantwoorden, kan op zichzelf niet tot het bewijs bijdragen. Dit brengt echter niet mee dat de rechtbank, indien verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, dit niet in haar overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken. Zo heeft verdachte –ondanks een daartoe uitdrukkelijk gedaan verzoek van de rechtbank- geen uitsluitsel gegeven over de vraag of hij kort voor het tenlastegelegde gebeuren (telefonisch) contact met het slachtoffer heeft gehad nu uit de zich in het dossier bevindende gegevens valt op te maken dat kort voor dit gebeuren telefonisch contact heeft plaatsgehad tussen het toestel dat bij het slachtoffer in gebruik was en het toestel dat in het bezit lijkt te zijn geweest van verdachte. Daarnaast heeft verdachte evenmin uitsluitsel gegeven over de vraag of het slachtoffer nog geld van hem,verdachte tegoed had, hetgeen op grond van een aantal verklaringen welke zich in het dossier bevinden,het geval zou kunnen zijn. Ten slotte heeft verdachte geen uitsluitsel willen geven over de door de getuige [getuige 1] meermalen afgelegde verklaring dat hij -[getuige 1] op verzoek van verdachte geld zou hebben afgedragen aan het slachtoffer. De rechtbank betrekt het bovenstaande in haar overwegingen.

DNA-bewijs Het ( voorwaardelijk gedane) verzoek van de raadsman tot het doen van nader DNA-onderzoek indien de opgestelde DNA-rapporten voor het bewijs worden gebezigd, wordt afgewezen. Er is een DNA-rapportage opgesteld door deskundige De Knijf. Later stelt De Knijff zijn rapportage bij. De verdediging heeft naar aanleiding hiervan om een contra-expertise verzocht en dit verzoek is door de rechtbank toegewezen. Deskundige Herbergs heeft een contra-expertise gedaan en een rapport opgesteld. Uit alle hiervoor genoemde rapporten blijkt dat het aangetroffen DNA-profiel een match oplevert met het profiel van verdachte. De specifieke uitkomsten zijn echter verschillend, maar niet tegenstrijdig. Deskundige Herbergs heeft immers ter terechtzitting toegelicht dat er verschillende methodes zijn gebruikt door de twee instituten, waardoor de uitkomsten ten aanzien van de berekende frequentie verschillend kunnen zijn. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er geen aanleiding is om een nieuw onderzoek te gelasten. De raadsman heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat er sprake zou zijn van secondary transfer. Het is volgens hem mogelijk dat de huls waarop het DNA materiaal is aangetroffen bij een andere gelegenheid in contact is gekomen met het DNA van verdachte, doordat verdachte op een eerder moment DNA zou hebben achtergelaten in de auto van het slachtoffer waar de huls in zou zijn terechtgekomen. De rechtbank acht dit echter niet aannemelijk. Verdachte heeft hierover geen inhoudelijke verklaring afgelegd. Gelet op de match tussen zijn DNA en het DNA dat op de huls in de auto van het slachtoffer is aangetroffen, had het op de weg van verdachte gelegen om hiervoor een verklaring te geven, temeer gelet op het beroep van zijn raadsman op de mogelijkheid van secondary transfer. Gelet hierop en op het feit dat de deskundige Herbergs spreekt over een contactspoor gaat de rechtbank er van uit dat het DNA van verdachte op de huls is terechtgekomen doordat verdachte het patroon heeft vast gehad, vermoedelijk bij het laden van het pistool. Dat op de andere drie hulzen geen DNA van verdachte is aangetroffen doet naar het oordeel van de rechtbank aan het voorgaande niets af.

Motief Uit de getuigenverklaringen van zowel bekenden van de kant van het slachtoffer alsook die van de kant van verdachte, blijkt dat er een conflict bestond tussen het slachtoffer en verdachte. De rechtbank gaat er vanuit dat het slachtoffer de druk richting verdachte heeft opgevoerd in de periode voor zijn dood. De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat een conflict over een schuld ter hoogte van Euro 350,- niet een goede reden vormt om een mens te doden. De rechtbank is dat volledig met de verdediging eens. Daaruit volgt echter geenszins dat dit conflict niet (mede) het motief voor verdachte heeft gevormd.

Verklaringen [getuige 1] en [broer verdachte] De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de verklaringen van [getuige 1] zouden moeten worden uitgesloten van het bewijs. Deze verklaringen worden op belangrijke onderdelen door verschillende andere bewijsmiddelen ondersteund. De rechtbank oordeelt deze dan ook als voldoende betrouwbaar. Het ( voorwaardelijk gedane) verzoek van de raadsman tot het doen van een onderzoek naar de psyche van [broer verdachte] wordt afgewezen reeds hierom nu de verklaringen van deze getuige niet voor het bewijs worden gebezigd.

Voorbedachte rade Om tot een bewezenverklaring van moord te komen is het noodzakelijk dat er tijd en gelegenheid is geweest voor kalm beraad en rustig overleg. Hiervan is sprake als komt vast te staan dat verdachte de tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft kunnen nadenken en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven.

De rechtbank acht in dit geval wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer na kalm beraad en rustig overleg van het leven heeft beroofd en neemt hierbij in het bijzonder in aanmerking dat verdachte allereerst het slachtoffer naar een plek heeft gelokt in de buurt van het huis waar verdachte op dat moment verbleef. Daarbij is verdachte lopend met een vuurwapen naar deze locatie gegaan. Vervolgens heeft verdachte de passagiersdeur open gedaan en heeft hij, zonder dat er een worsteling heeft plaatsgevonden, het (ongewapende) slachtoffer vier keer dodelijk getroffen. Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat er sprake was van het ten uitvoer leggen van een vooropgezet plan.

Tussen het moment van het regelen van de afspraak met het slachtoffer en het moment van het doodschieten van het slachtoffer is, zoals hierboven weergegeven onder 4.3.1., een behoorlijk aantal minuten verstreken. Verdachte heeft derhalve tijd gehad zich te beraden op het door hem voorgenomen besluit om het slachtoffer van het leven te beroven, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

In vereniging De rechtbank acht - met de officier van justitie en de raadsman - niet bewezen dat verdachte het feit in vereniging heeft gepleegd. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat

Primair hij op 12 januari 2011 te Utrecht opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen kogels afgevuurd op en in de richting van die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] door meerdere van die kogels in het lichaam en het hoofd werd getroffen, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.


De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid 5.1 De strafbaarheid van de feiten Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Primair: moord 5.2 De strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van het voorarrest. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft integrale vrijspraak gepleit en heeft zich niet over de strafoplegging uitgelaten. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de na te noemen op te leggen straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft op 12 januari 2011 het slachtoffer naar een door hem bepaalde locatie gelokt. Niet veel later heeft verdachte meermalen met een vuurwapen op het slachtoffer geschoten. Het slachtoffer had geen schijn van kans tegen dit tegen hem uitgeoefende buitensporige geweld en is ter plaatse aan zijn verwondingen overleden. Verdachte heeft het slachtoffer zijn kostbaarste bezit, het leven, op brute wijze ontnomen en er daarmee blijk van gegeven geen enkel respect voor andermans leven te hebben.

De gewelddadige moord op het slachtoffer heeft een schok in de lokale samenleving teweeg gebracht en heeft bijgedragen aan algemene gevoelens van onveiligheid. Verdachte heeft niet alleen het leven ontnomen van een jonge man, maar heeft tevens het leven verwoest van de naaste familieleden, waaronder het dochtertje van het slachtoffer. Voor de nabestaanden moet het bijzonder moeilijk zijn een dergelijk zwaar verlies te dragen. In hun slachtofferverklaringen hebben de vriendin, het zusje en de moeder van het slachtoffer blijk gegeven van hun gevoelens van verlies.

Moord is één van de ernstigste delicten die de Nederlandse strafwetgeving kent en rechtvaardigt naar zijn aard en ernst een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank pleegt bij de beoordeling van een zaak en de oplegging van een straf rekening te houden met de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.

Bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de koelbloedige wijze waarop verdachte te werk is gegaan. Ook weegt de rechtbank mee dat verdachte op geen enkele wijze inzicht heeft gegeven in zijn motieven. Ten voordele van verdachte heeft de rechtbank meegewogen de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 december 2011, waar uit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte. De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, verdachte conform de eis van de officier van justitie veroordelen tot een gevangenisstraf van 15 jaren. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek tot het opheffen van de voorlopige hechtenis afwijzen.

7 Het beslag De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan de rechthebbende.

8 De benadeelde partij De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 7.543,47 aan materiële schade.

De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd van de voornoemde vordering. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen nu verdachte moet worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde bedrag is voldoende duidelijk omschreven en aannemelijk gemaakt en zal integraal toegewezen worden.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

9 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing De rechtbank:

Bewezenverklaring - verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;


Strafbaarheid - verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: primair: Moord; - verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag gelast de teruggave aan [benadeelde], van het in beslag genomen voorwerp, te weten een zwarte personenauto van het merk Mercedes Benz;

Benadeelde partij - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 7.543,47, aan materiële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 12 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening. - veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], € 7.543,47 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 73 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. M.C. Oostendorp en mr. P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 januari 2012.